Een Andalusisch dorp zonder bar is een dood dorp en we betreurden het dan ook toen Antonio er enige jaren geleden mee ophield. Hij was niet meer bij machte zijn nering boven water te houden. Niet dat hij zijn eigen beste klant werd, nee, het was de gekte in zijn hoofd die de mensen wegjoeg. Grillig als hij was, liet hij zijn clientèle de ene dag dubbel betalen, en de andere dag hoefden ze niet te betalen, aanleiding tot verwarring en heibel. Antonio heeft jadegroene ogen en hij zou een figurant kunnen zijn in de films van Almodóvar, met een rol als travestiet, de maricón, of de gespleten eenling die ondanks zijn capaciteiten nooit zou slagen, en hij zou een natuurtalent zijn.
Zijn moeder wilde zo graag een dochtertje en dus kleedde ze haar eerste boreling als meisje en noemde het Antonietta. Lange tijd wist niemand beter dan dat die vrolijke peuter aan moeders hand een meisje was. De bijnaam, Antonietta, die hij nog steeds heeft, maakt hem razend. En reken maar dat hij geplaagd wordt met zijn verschijning als 'rasnicht', met tegenwoordig zijn haar in een knotje samengebonden op zijn achterhoofd.
Antonio is niet dom en hij genoot een goede opleiding, hij werkte in de horeca in Madrid en op Mallorca, maar halverwege de jaren negentig kwam hij terug naar zijn geboortedorp. Zijn ouders verbouwden de ezelstal naast de kerk tot bar en de volgende paar jaar werd hij de 'talk of the town'.
Antonio's bar liep als een trein, het pijpenlaatje was oergezellig en iedere avond was het bomvol, mede omdat zijn tapas uitstekend waren. Een Andalusische bar wordt afgerekend op de tapas, want een bar zonder tapas is hier net zo dood als een dorp zonder bar.
Helaas hield Antonio het niet vol, we zagen hem en zijn tent verloederen en de laatste jaren bleef hij gesloten. Soms ging hij een avond open, dan sleepte hij tafels en stoelen naar buiten en zette zelfs een bloemetje neer, maar de klandizie bleef uit. Antonio heeft een vorm van schizofrenie waarbij hij spoken ziet, dan moeten zijn wanen de deur uit geschreeuwd worden en dat doet hij met verve. Deuren gaan op een kier, ik zie de buurvrouwen besmuikt met hun hoofd schuddend staan luisteren. Zijn moeder is langzaam dement geworden, maar met een vrolijke dronk, zeg maar alsof ze altijd een borrel te veel op heeft. Antonio zorgt goed voor haar met een aandoenlijk engelengeduld.
Een maand of twee geleden hoorden we dat Juan de bar van Antonio zou gaan huren. Juan is een gitano, en ook hij is geboren en getogen in ons dorp. Zijn vader, el mudo, was een doofstomme zigeuner, die op een bijzondere manier met zijn handicap omging. Hij had een heel expressief gezicht met grote ogen, gek genoeg waren zijn neus en mond nauwelijks ontwikkeld, el mudo communiceerde met zijn ogen. Juan lijkt op hem, met dezelfde expressieve uitstraling, maar hij is goed van de tongriem gesneden. Hij heeft muziek in zijn stem en zijn vaders opgeruimde natuur.
Juan blijkt veel vrienden te hebben en de bar liep meteen als een trein en is opnieuw the talk of the town. Hij vroeg aan Raúl Bar de Juan met een lachende ezel op zijn gevel te schilderen en toen bood ik aan verschillende tapas voor hem te maken.
“En we noemen die Tapasi,” roep ik.
Zijn enthousiasme galmt door de bar: “Maar weet wel”, zegt Juan, “dat een glas wijn met tapas een euro kost. Vijftig cent kostprijs voor een hapje is echt maximaal.” Met een chorizo worst zwaait hij door de lucht en stopt die vervolgens in een witbroodje: “Volproppen”, zegt hij, “want als de klandizie goed eet gaan ze over op de whisky en de cola-tic en dan ga ik pas verdienen.”
Enthousiast ga ik aan de gang en vul de champignons met noten en kaas, ik maak paté, inktvisrolletjes en mijn specialiteit gamba's al pil pil. Mijn werk en ingrediënten overschrijden die halve euro natuurlijk ruimschoots, voorlopig zal ik hier geen cent aan verdienen, maar de verlekkerde gezichten van Juan en zijn Gabriella zijn me alleszins de moeite waard.
's Avonds gaan we met de buren naar de bar. Ik heb niets verteld over de herkomst én kwaliteit van de tapas en ben benieuwd naar hun opmerkingen. Maar wat krijgen we? Een taai kadetje met warm vlees, en bij het tweede glas wijn: een broodje bloedworst.
De buren eten de tapas met smaak en praten met volle mond. Raúl en ik kijken elkaar verbaasd aan en in het Nederlands zegt hij tegen mij: “Denk jij wat ik denk?”
Ik knik en vrees, dat toen hij ‘ja’ zei, ‘nee’ bedoelde. Natuurlijk zijn mijn hapjes rechtstreeks naar zijn huis gegaan, waar hij, Gabriella en zoons lekker hebben zitten smikkelen. Naar de lachende ezel op de gevel kijkend, denk ik: ben ik de ezel die zich weer eens aan die steen heeft gestoten en is het Juan die nu in zijn vuistje het best lacht?