"Wat moedig om te verkassen naar zo’n stil bergdorp in Andalusië en Nederland achter te laten,” zei laatst iemand tegen me.
“Het was moediger geweest om in Nederland te blijven,” antwoordde ik met een grijns. Natuurlijk is dat onzin, Nederland heeft ook veel goede kanten.
Toch vroeg ik me in het begin wel eens af of het leven wel boeiend genoeg zou zijn in zo’n gehucht midden in de natuur. Ga ik me niet vervelen, is het er niet te rustig?
Ja dus, wel rustig, en schoon en eenvoudig, maar zeker niet minder boeiend. De spreuk never a dull moment is hier ruimschoots van toepassing. Roddels en ruzie, macht en geld spelen ook in dit microleven op de berg een voorname rol. De buren en dorpsgenoten met hun eigenaardigheden zijn niet veel anders dan de bewoners in een doorsneewijk in Nederland.
Waar ik aan moest wennen, is dat men hier veel meer tijd heeft, tijd neemt. Dus klets ik met de buurvrouwen over het weer, hun kwalen of de maaltijd. Ik luister naar de treurzang van José die onlangs zijn vrouw verloor.
Met buurman Paco drink ik een glaasje wijn, hij beweert nooit iets anders te drinken en noemt mij ‘Bonita’.
Raphaël en Manuelito groet ik amicaal. Beiden zijn gek, de een door een verwrongen jeugd, de ander door te veel drugs.
Ik probeer schuchtere Rosa uit haar schulp te lokken. Als kind vond ze haar vader, bungelend aan een touw in de stal.
Ik deel de zwijgende fantasieën van Pepe. Hij is doofstom maar kreeg, met zijn eveneens doofstomme vrouw Maria, elf kinderen die allemaal iets met muziek doen.
De lokale bevolking zorgt voor de romantiek, maar sommige buitenlanders geven kleur aan het bestaan. Van Brenda, de Engelse overbuurvrouw hoor ik de laatste roddels over John. Hij schreeuwde zijn vrouw de berg af en maakte met haar beste vriendin in ‘no time’ twee kinderen, terwijl ze er al drie had van verschillende mannen.
De enthousiaste Hollander die eenzaam in een verbouwde geitenstal op het land woont is een inspiratie en we smullen van verhalen die de ronde doen over een bankrover in ruste. Hij woont met zijn aristocratische Engelse vrouw in een ruïne, beneden in het dal.
In deze vallei, de Alpujarras, aan de zuidkant van het hooggebergte, de Sierra Nevada, kleven de witte Moorse dorpjes dromerig aan de helling. Hier verborgen de Arabieren zich tot ver in de zestiende eeuw om te ontkomen aan de Katholieke Koningen, die eisten dat iedereen zich tot het Christendom bekeerde. Dagelijks trekt het Alhambra in Granada –
onlangs herkozen tot achtste wereldwonder – troepen bezoekers die meer willen weten over de Arabische tijd in El Andaluz.
Met enige fantasie is die tijd overigens nog voelbaar, als ik kijk naar de dansende silhouetten van amandelbomen op de heuveltoppen tegen de blauwe lucht.
Wandelend met onze honden kom ik tussen de olijfbomen met hun grillige oude stronken Manolo met zijn kudde schapen en geiten tegen. Hun bellen klingelen muzikaal, ik loop een eindje met hem mee en waan me in een haast Bijbelse sfeer. Zijn honden snuffelen aan de mijne. De gekke geitjes komen nieuwsgierig kennismaken en springen weg als ik mijn hand uitsteek.
“Er zijn dagen bij dat ik wel veertig kilometer loop,” vertelt Manolo. Hij strekt zijn been met een pijnlijke grimas en ik zie zijn gezwollen knieën door zijn manchesterbroek heen.
“Van het klimmen en dalen. Het is moeilijk om genoeg gras te vinden in een droge zomer.”
Hij loopt met zo’n tweehonderd geiten en schapen en houdt ze allemaal uit elkaar. Als er onderweg een geitje of lammetje wordt geboren, draagt hij dat in zijn armen naar huis.
’s Zomers neemt hij de kudde mee de bergen in, daar is het koeler en meer te eten. Vanwege het langere licht kan hij ’s zomers verder van huis. In de winter neemt hij ze slechts een paar uur mee uit. Om zes uur ’s morgens begint hij samen met zijn tachtig jaar oude vader te melken. In de zomer ongeveer tweehonderdvijftig liter per dag, maar in de winter, door het koude weer, halveert de melkproductie.
Vroeger haalde ik wekelijks een emmer geitenmelk in zijn stal, ik maakte yoghurt en verse geitenkaas. Die tijd is voorbij. De Europese hygiënewetgeving gaat ver; in verband met zogenaamde ziektes mag er niet meer aan particulieren geleverd worden.
Laatst vroeg ik Manolo of hij een opvolger heeft: “Je zoon? Heeft hij geen interesse in dit vak?”
Kauwend op een strootje staarde Manolo in de verte. Na een poosje zei hij: “Mijn zoon? Die studeert rechten in Granada. Hij wil geld en status. Nee, mijn vader en ik zijn de laatste herders hier. Maar ik geef het nog niet op, hoor. Ik laat mijn beesten niet in de steek.”
Zijn gezicht brak open in een zonnige lach, hij slingerde zijn rugzakje over de schouder, prikte zijn stok in de grond en zwoegde de berg op. Ik keek hem na tegen het licht in, temidden van zijn beesten. Langzaam vergroeide de kudde met de omgeving van oker gekleurde rotsen, het gouden gras en de roestige aarde.