Het is een koude avond in maart, jaren geleden. Uit de krochten van ons dorp, beneden ons huis, klinkt een rotherrie, waar de honden geen brood van lusten. Getetter op toeters, gebeuk op oliedrums en er wordt vuurwerk afgestoken. Een stel jongelingen schreeuwt moord en brand.
Ik trek mijn jas aan en ga op onderzoek uit. Om me heen komen ook andere mensen uit hun huizen en samen lopen we naar de plaats des oordeels. Het gaat om een oud gebruik, begrijp ik uit de momenten dat we ons nog enigszins verstaanbaar kunnen maken. Wanneer een weduwe of weduwnaar hertrouwt, krijgt het kersverse echtpaar het even zwaar te verduren.
Kort voor bedtijd loopt het hele dorp uit, vooral de jeugd natuurlijk, om onder het slaapkamerraam van de pasgehuwden net zo lang lawaai te maken tot iedereen wordt uitgenodigd om binnen te komen en samen wijn, brood en lekkers te delen. Verheugd, om de pasgehuwden die avond al meteen te kunnen feliciteren, blijf ik met de andere omstanders wachten. Het wordt elf uur, het wordt twaalf uur, maar dan begint de een na de ander teleurgesteld af te druipen. Vernikkeld kruip ook ik in bed.
Solédad en Pepe
Die koude avond in maart, jaren geleden, ging het om Solédad en Pepe.
Solédad is een zigeunerin, die bijna niet meer kan lopen door haar gewicht, ze is de dikste vrouw in ons dorp. Haar voeten zijn scheefgegroeid en worden in zachte slofjes geperst. Haar enkels en kuiten zijn verrassend slank en kousloos, maar haar romp, heupen, voorgevel en buikpartij lijken samengesmolten.
Als ik wel eens hartelijk in haar arm knijp, verrast de stevigheid van die bonk vlees me altijd weer. Ze heeft gezellige bolle wangen; haar zwarte ogen twinkelen geamuseerd en in haar mond blikkert een rij gave tanden. Ze moet mooi geweest zijn vroeger, een frisse bloem met een perzikenhuid en een gulle lach.
Ik vermoed dat ze zo ongeveer mijn leeftijd heeft, maar toen ik er eens naar vroeg, haalde ze haar schouders op. Ze weet niet hoe oud ze is; ze heeft nooit leren lezen en schrijven. Dat zijn van die momenten dat ik me realiseer dat de tijden hier nog niet zo lang geleden heel anders waren.
Pepe leerde ik kennen als een verstokte vrijgezel, een mager en nurks mannetje, dat eenzijdig verlamd is. Vandaar zijn bijnaam Manko. Dagelijks zwerft hij met twaalf geiten en twee schriele honden, een peuk in de mond, rond het dorp.
Als je ze samen ziet lopen is het net een plaatje uit een boek. Zij waggelt tussen twee emmers met geitenmelk en Pepe, een paar meter voor haar uit sleept met zijn rechtervoet en draagt zijn lamme handje. Inmiddels is hij dankzij hun huwelijk aanmerkelijk opgeknapt en Solédad is zelfs iets afgevallen. Iets, want ze is nog steeds enorm dik.
Juan en Renée
Omdat onze overbuurman, Juan, het twee jaar geleden waagde met een nieuwe vrouw aan te komen, kreeg hij een zelfde behandeling als Pepe en Solédad,.
Ik was goed bevriend geweest met zijn eerdere vrouw Renée. Vroeger was zij pianolerares geweest in Uruguay. Vier jaar geleden stierf ze onverwacht na, vooral, een tragisch leven, maar dat is een ander, lang verhaal.
Ik zie ze nog samen lopen.
Zeven uur. Juan en Renée staan op.
Half acht, ik hoor hun voordeur piepend opengaan. Ze gaan wandelen voordat de hitte weer door het dal zindert. Hij sjokt met zijn transistorradiootje in de palm van zijn hand langs de weg, alsof hij met zijn ziel onder zijn arm loopt. En Renée, met een verfrommelde zakdoek in haar vuist, loopt een paar meter achter hem aan.
Ik mis haar, ze luisterde graag naar klassieke muziek op de radio, en als ik in de tuin werkte, genoot ook ik van de klanken van Ravel of Mendelsohn die door haar open raam naar buiten waaiden.
Juan en Graziela
Een jaar na haar dood werd het alleen zijn Juan te machtig. Hij vertrouwde me toe: ‘Mannen zijn niet gemaakt om alleen te wonen. Busco novia. Ik zoek een vriendin.’
Die vond hij sneller dan verwacht. Week in week uit deed hij mee aan radiospelletjes. Een soort ‘boer zoekt vrouw’. En op een dag had hij beet. Graziela werd zijn nieuwe vlam, twintig jaar jonger en met benen van satijn, zo vertrouwde hij me met een stralende lach toe. Hij raakte niet over haar uitgepraat. En weer is het Latijns-Amerika, want Ziela komt uit Bolivia.
Hij had haar komst vakkundig geheim weten te houden, maar toch, hoe kan het anders in ons gehucht, de eerste avond dat zij bij hem verbleef, moesten ze het ontgelden en wij, als directe buren, deelden in de pret, aangezien de pauken op onze huismuur werden geslagen. Een urenlang aanhoudend, oorverdovend lawaai.
Geleerd had ik van de vorige ervaring. Zo nu en dan ging ik even de straat op. Maar ook Juan weigerde ramen en deuren te openen. En ook Juan en Ziela hadden geen feesttafel met brood en wijn klaarstaan. Ik moet zeggen dat ik dat betreurde.
Mij lijkt het juist zo’n mooi ritueel, om samen met de dorpelingen je nieuwe levensgeluk te vieren.
Een paar maanden geleden zijn Juan en Ziela officieel getrouwd, we waren uitgenodigd voor de bruiloft, en dat werd een vrolijk festijn met Boliviaanse muziek en dans.
De Andalusiërs houden van feesten, maar hun stemming heeft eerder iets melancholieks. Zo niet de Bolivianen – die zijn onomwonden vrolijk. Zelfs de tachtigjarige Juan moest een dansje wagen.
Als ik nu in de tuin werk, hoor ik de vrolijk ophitsende muziek van Ziela door het open raam schallen. Ook wij zijn weer vrienden geworden, al verlang ik soms naar Renée.