Bloedrode spatten op mijn blote benen. Mijn armen kleuren rood tot aan hun oksels en ik lik het zoete bloed van mijn vingers. Dracula is hier een dilettant bij, denk ik en als de buurman passeert, groet ik hem uitdagend. Ongerust kijkt hij me even aan, dan gluurt hij in mijn emmer en glundert: “Ah, moerbeien.”
Jaarlijks pluk ik de sappige moerbeien van de oude, schonkige bomen die rond ons dorp staan. Het is de Morus nigra, de zwarte moerbei. De diepgroene hartvormige bladeren kleven van het sap dat uit de dikke, braamachtige vruchten druipt. Enorme boomstruiken zijn het die in hun eigen paarse kring van permanente schaduw staan.
Tijdens het opkoken van de sappige vruchten met geleisuiker en het sap van een citroen voor de heerlijkste jam komt mijn partner Raúl binnen. Zondoorstoofd en bezweet.
“Laten we honderd moerbeibomen aanplanten,” zeg ik enthousiast. “Dan gaan we moerbeienwijn maken. Dat verkoopt vast.” We hebben een aardig stuk land buiten het dorp met olijfbomen, amandelen en abrikozen. Hier verbouwen we ook groenten, maar we zijn altijd op zoek naar het ultieme gewas dat weinig werk kost en veel oplevert.
“Gisteren dit, morgen dat, en wie kan al het werk doen,” bromt hij afwezig, zich lavend aan een koud biertje. De hitte zit hem nog in het lijf.
De volgende morgen, nog voordat de zon het hemelgewelf overheerst, trek ik er weer op uit. Ditmaal met twee emmers en zal ik opnieuw rood gekleurd terugkomen alsof ik een massamoord heb begaan.
En ook ditmaal kom ik buurman Paco tegen. Hij lacht om mijn roodbevlekte hemd, en zegt: “Die vlekken krijg je eruit met het sap van de witte moerbeien. Maar die staan hier niet meer.”
“Vroeger wel?” vraag ik.
“Oja. De hele vallei stond vol met witte moerbeien en ik was rupsenbewaker.”
Ik zet mijn beide emmers neer en zeg gebiedend: “Paco vertel. Wat is een rupsenbewaker en waar zijn de witte moerbeien nu?”
Hij schudt zijn hoofd, trekt de rieten hoed dieper over zijn ogen en plaatst zijn spa stevig op zijn schouder. “Ik moet aan het werk. Kom vanavond maar langs. Dan vertel ik je alles.”
Dat doe ik. Met een pot moerbeienjam steek ik tegen achten onze straat over. Aankloppen hoeft niet. Paco en zijn vrouw Ana, zitten voor het vliegengordijn, de deur erachter staat wijdopen net als de ramen boven. De warmte van de hete julidag hangt nog in de straat, hopelijk koelt het binnen wat af voor de nacht begint. Ik kruip tussen hen in, zoals vaker tijdens deze zwoele avonden.
“Paco, vertel over het bewaken van de rupsen en de witte moerbei,” help ik hem herinneren.
Dromerig kijkt hij voor zich uit. “De rupsen zijn mooie beestjes, wit met een zwarte kop en met hun sterke kaken vermalen ze de bladeren.”
“Voor de zijdeteelt?”
Hij knikt.
“Maar over welk jaar hebben we het? Vijf eeuwen geleden waren de Arabieren toch de laatste zijdetelers?”
“Nee hoor. De zijdefabriek beneden in de vallei sloot pas in 1963. Mijn grootvader had veel bomen. Zijde was zijn enige bron van inkomsten. Totdat de veel goedkopere kunstzijde in opkomst kwam.”
Ik herinner me de set zijden lakens die ik van een ex-geliefde kreeg. Hij bracht ze uit Singapore voor me mee. Ze vrijden en sliepen beslist beter dan katoen. Ik draag graag zijde, moet er niet aan denken in een zweterig dralon hemdje te lopen, zoals zo veel vrouwen hier dragen.
Tegenwoordig komt vrijwel alle zijde uit Azië.
“Wat jammer, dat die schone bron van inkomsten verdwenen is uit onze vallei,” mijmer ik hardop. “Nu hebben we lelijke plastic kassen, waarin groente wordt verbouwd. Ze verpesten het landschap, leveren onvoldoende werk op en de jongeren trekken naar de stad. Boomgaarden met moerbeien zou een antwoord kunnen zijn om deze stervende streek weer wakker te schudden.” Het is mijn stokpaardje, en Paco weet dat.
“Te duur.” Hij schudt zijn hoofd. “We kunnen niet op tegen China en Thailand.”
“Echt niet? Zou het niet geweldig zijn om hier, in onze vallei, een ecologische zijdeindustrie op te zetten?”
“Weet je wel hoeveel werk het is?”
“Nee,” zeg ik naïef. Ik heb inderdaad geen idee.
“Het moeilijkste,” zegt hij, “is het afwikkelen, soms zit er wel tweeduizend meter draad op een cocon.” Ik kijk ongelovig, dat is heel veel.
“Aan de eerste vijfhonderd meter heb je niet zo veel, dat zijn korte draadjes, die breken steeds. Dan moet de rups het zich inspinnen nog leren. Trouwens aan de laatste vijfhonderd meter heb je ook niet veel, dan is hij moe. Maar de middelste duizend meter is vaak één lange draad van de beste kwaliteit.”
“Wat zeg je dat mooi, Paco,” val ik hem in de reden. “Het is als een mensenleven. De eerste twintig jaar moet een kind het leven nog leren, de laatste twintig jaar is hij bejaard en de middelste veertig jaar is hij in de kracht van zijn leven.”
In zijn glimlach laat hij me zijn spaarzame tanden zien, ten antwoord dat hij mijn analogie begrijpt. “Omdat de draden heel dun zijn, haspel je meerdere cocons tegelijk af, zodat je een dikkere draad krijgt.”
“Dat eigenlijk een boom de leverancier is van zoiets prachtigs als zijde,” zeg ik.
Paco haalt zijn schouders op, hij wil zijn verhaal vertellen.
“De volwassen zijdevlinder kruipt uit de cocon met de vleugels stijf naast zijn lijf gevouwen.” Hij doet me voor hoe de vlinder zijn vleugels ‘oppompt’ door zijn armen geknikt op en neer te bewegen. Ik glimlach, want zelfs zijn gezicht heeft iets van een rups. Dan vliegt de vlinder weg, in gedachten kijkt Paco het beestje na.
“De mannetjes gaan meteen op zoek naar een vrouwtje om te paren. Het mannetje sterft en zij legt tussen de 300 en 500 eitjes op de bladeren van de witte moerbei en sterft dan ook. Uit de eitjes komen de rupsjes, die groeien door te vervellen. Steeds weer kruipen ze uit een nieuw velletje, dat was altijd zo mooi om te zien.” Paco’s ogen glimmen. Hij lijkt een beetje aangeslagen.
“Na de laatste vervelling gaan ze eten. Ze eten een maand lang. Uiteindelijk zijn ze wel tien centimeter lang en het wordt tijd om zich in te spinnen.”
Ik wil vragen hoe ze dat gaan doen, maar Paco heft zijn hand op.
“In de kaak van de rups zitten twee piepkleine openingen, daaruit perst hij een lijmdraad en een zijdedraad. De lijm zorgt ervoor dat de cocon hard wordt. Al spinnend slinkt de rups en groeit de cocon.” Nu doet Paco voor hoe de rups zichzelf, als een tube tandpasta, langzaam leegknijpt. “Na drie dagen en nachten spinnen is de cocon klaar.”
“Hoe lang blijft hij in die cocon?”
“Enkele weken. Hij verandert in een pop en als hij zich van dat velletje ontdoet is hij een vlinder.”
“De draden van de cocon haspelden we op klossen, om te weven. Ana, haal eens.” Ana is al opgestaan en naar binnen gegaan. Ze komt terug met een roomkleurige lap.
“Heb ik geweven,” zegt ze trots. “Hij is ongeverfd.”
Voorzichtig neem ik de lap in mijn handen, hij voelt heel sterk. Ik steek mijn neus in de glanzende, zijdezachte stof en ruik de geur van mottenballen.
“Je moest hele gladde handen hebben bij het haspelen en weven,” zegt Ana. “Want de draad brak maar zo.”
“Zou je het nog kunnen?” Ik pak haar hand en aai langs haar knobbelige jichtige vingers. Maar ze zijn zijdezacht, daar zijn mijn tuinhanden grof als schuurpapier bij.
“Oh ja, meteen. Weven verleer je niet,” glimlacht ze.
“Net als zwemmen en fietsen,” zeg ik, maar beiden kunnen ze dat niet. En daarmee is ons gesprek ten einde. Ze staan op. Ana en Paco gaan hun huis binnen en ik het mijne aan de overkant.