Recente
column over mijn leven in een Spaans bergdorp
De Italiaan
We kennen twee Hollandse jongens, die in een dorp verder, samen een huis huren. Jonge dertigers die weg van de snelweg hun geluk zoeken en dromen van een beter leven in de natuur. Ze hebben nooit genoeg geld voor hun mobiel, auto en verzetjes, maar ze zijn idealistisch en delen hun schamele goed met een ieder die hetzelfde georiënteerd is. Zo boden ze een paar weken onderdak aan twee WOOFers, jongelingen die aangesloten zijn bij de World Organisation Organic Farming en hier en daar hun kostje bij elkaar scharrelen in ruil voor hulp op het land. Er woonde een tijdje een vage kunstenaar, die tegen betaling bij hen ingetrokken was. Zo’n type dat z’n imago ontleent aan een strohoed en een pijp, maar z’n ware aard verraad door een coupe rose huid en een drankneus. Op een ochtend zat er ook nog een Italiaan, met hond, aan de ontbijttafel. Hij was opgepikt door een van de Hollandse jongens.
Deze Italiaan zei Joods te zijn en zeven talen vloeiend te spreken. Hij was een zakenman en bestierde, samen met z’n vader, een im- en export bedrijf tussen Italië en Israël. Ze verdienden miljoenen, vertelde hij. Het hele jaar werkte hij in een high-tec office en driedelig pak, maar één maand per jaar brak hij er tussenuit. Dan trok hij als hippie, vergezeld door hond en rugzak, low-budget door de wereld.
‘Om onder de mensen te zijn, om te leven en te slapen in de natuur,’ zo zei hij.
Dit ideaal sprak wel tot de verbeelding van de Hollandse jongens. De Italiaan zag het helemaal zitten in onze vallei en sprak over het opzetten van een manege, om met paarden en toeristen de bergen in trekken. Hij had voor iedereen een goed betaald baantje in gedachten. Er werd uitgezien naar land, dorpelingen werden aangesproken, het gonsde om ons heen: ‘de Italiaan heeft geld, wil je wat verdienen, dan moet je bij hem zijn.’
Maar hij had nog geen cent gespendeerd en deed alles op de pof. Hij reisde graag sober, zo zei hij. Zijn geld stond op de bank in Lugano. Hij belde de bankdirecteur, een persoonlijke vriend, en alles werd geregeld. Het geld kon daar worden opgehaald. De Hollandse jongens wilden maar wat graag iets voor hem doen. Op eigen kosten huurden ze een auto, sneller en betrouwbaarder dan hun eigen barrel en trokken derwaarts. Eenmaal in Lugano zou alles immers goedkomen.
De creditkaart van een van de Hollandse jongens, zijn credietlimiet was nog net niet bereikt, spuwde net voldoende cash om Lugano te halen. Daar aangekomen was straat en omschreven bank echter onvindbaar. De mobielen hadden steeds roodgloeiend gestaan, maar opeens nam de Italiaan niet meer op. Eindelijk begon het beide jongens te dagen. Verslagen herkende de ene Hollander het vage klokkegelui dat bij wijze van intuitie in zijn onderbuik had gebeierd tijdens gesprekken met de Italiaan. Had hij er maar naar geluisterd. De ander kon maar niet geloven dat er opzet in het spel was. Met hun laatste 50 Euro haalden ze Antwerpen, waar een bevriende Belg hun wat geld leende.
Ze zijn nu weer terug. Beiden zwoegen om de schulden af te lossen die de Italiaan overal heeft nagelaten. De vriendschap tussen de twee Hollandse jongens is voorbij, echter beiden zijn een illusie armer. Over de, met de noorderzon vertrokken, Italiaan wordt niet meer gesproken.