Recente
column over mijn leven in een Spaans bergdorp
De hoofdschotel
Gisteravond aten we bij kennissen. Fijn, want dat betekende een break in de dagelijkse routine. Een jaar geleden aten we ook bij hen, maar de herinnering daaraan had ik kennelijk verdrongen. Stom. Immers een gewaarschuwd mens telt…
Wij waren dus onvoorbereid en hadden de hele dag weinig gegeten. Zo zijn we, als we uit eten gaan sparen we de honger op om de gastvrouw te tonen dat het ons goed smaakt.
Op weg naar onze kennissen herinnerde mijn bed- en disgenoot me aan het fabuleuze ijs dat we ongetwijfeld zouden krijgen. Specialiteit van de gastheer. Met een ingenieus machientje uit Italië draait hij handmatig heerlijk smeuiig ijs. Ik knikte in het donker, ja het ijs zou zeker niet ontbreken.
Na de gebruikelijke begroeting en overhandiging van het zelfgemaakte potje jam werden we verrast door een sorbet vooraf.
‘Ik dacht, laten we eens met het toetje beginnen,’ lachte de gastheer. Uit de ijsmachine toverde hij een sorbet van granaatappel met sinaasappelsap, overgoten met champagne. Een verrukkelijk opfrissertje dat ons goed smaakte.
Na geruime tijd ging de gastvrouw de salade prepareren en schotelde ons brokken avocado en ananas met verse garnalen bedolven onder een vinaigrette voor.
Simpel, doch lekker, maar na zulke apetizers kreeg ik toch wel echt honger. De toon was gezet, de wijn vloeide rijkelijk, de stemming steeg en de hoofdschotel bruinde in de oven.
Eindelijk ging die deur open.
Het volgende gerecht: aubergine plakken gestoofd in kaas met tomatensaus. Het smaakte heerlijk maar voelde wat kaal aan. Reikhalzend keek ik naar het fornuis. Waar bleef de rijst? De aardappelen? Maar dit bleek alles.
Drie plakken aubergine verorberde ik in een ommezien. De schaal bleef op tafel staan. Mijn ega prikte nog een plak aan zijn vork. Ik viste nog een restje uit de saus. Uit een soort valse bescheidenheid durfde ik niet de schaal naar me toe te trekken en uit te lepelen, of liever, met mijn tong systematisch schoon te likken. Met een homp brood zou deze saus een niet te versmaden lekkernij zijn.
Toen de gastheer de schaal eindelijk wegnam en omkieperde in de vuilnisbak sprong ik vertwijfeld op, maar zakte terug in mijn stoel. Dit was niet mijn keuken. Hier mocht ik me er niet mee bemoeien. Deze saus was een rijke basis geweest voor een heerlijk kopje soep de volgende dag. Verbijsterd over zoveel onbewustzijn schonk ik nog een beetje wijn voor mezelf in en bedacht teleurgesteld dat we zelfs het toetje al hadden gehad.
Thuis sneed ik een paar boterhammen af, die we met dikke plakken kaas belegd hongerig en aangeschoten naar binnen schoven.
Mijn ega zei, met volgepropte mond: ‘De volgende keer doen we dit voor we bij hun gaan eten.'