Hier
schrijf ik een serie columns over mijn leven in een Spaans bergdorp
met onze buurman Juan als onderwerp.
Eenzaam
Juan
leeft met een amputatie. Twee jaar geleden werd zijn vrouw, Renate,
onverwacht uit zijn leven weggerukt. Zoals iemand een been moet
missen, zo strompelt Juan nu door de dag, hardnekkig vasthoudend
aan de patronen die zijn vrouw in zijn leven had aangebracht.
Juan
is een prater en eenmaal op dreef is hij niet meer te verstaan.
Ik moet me op zijn woorden concentreren, maar verlies me in de
mimiek van zijn gezicht, die is namelijk werelds. Een lach verandert
in een snik, een grijns wordt een pijnlijke blik. Hij opent zijn
mond breed, of tuit zijn lippen, draait met zijn ogen, slaat ze
ten hemel of sluit ze secondenlang en dat allemaal tijdens één
zin.
Vorige
week vroeg hij me of ik iets voor hem wil doen.
'Si, si, claro,' antwoordde ik. Maar wat? Aan het verhaal, volgend
op zijn vraag, kon ik geen touw vastknopen. Als het echt belangrijk
was kwam hij er wel op terug, dacht ik. En inderdaad, een paar
dagen later, ik veegde de straat, kwam Juan me helpen.
'Heb je nu tijd?'
'Tijd waarvoor?'
'M'n pak nakijken, of ik het nog aankan. M'n trouwpak.'
'Si, si, claro,' zei ik achteloos. Dus dat was het geweest.
'Morgen moet ik het aan.'
'Juan, heb je een afspraakje?' vroeg ik plagerig.
'Si, si,' maar hij luisterde niet. Zenuwachtig ging hij me voor
zijn huis in. Bezem, stoffer en blik liet ik achter op straat
en ik volgde hem zijn slaapkamer in. Meteen trok hij zijn trui
uit, smeet z'n pet op het bed en begon z'n manchesterbroek te
ontknopen. Even vermoedde ik dat hij heel andere bedoelingen had.
Nu werd ik zenuwachtig, maar hij trok de klerenkast open en haalde
zijn trouwpak tevoorschijn. Ik glimlachte om mijn fantasie, hij
grijnsde terug. Hij trok het jasje aan, dat was getailleerd op
een ouderwetse manier. Het zat hem veel te krap. Ik hield de broek
voor zijn middel en herkende de jaren zestig in de wijde pijpen.
'Dit is ouderwets, Juan.'
'Si ik ben getrouwd in '69.' Hij leek ontspannener nu.
'Dit pak kan echt niet, dit kan je niet meer aan.'
Dat had hij zelf ook gedacht, bleek nu. Hij trok een ander pak
tevoorschijn, een keurig grijs begrafenispak. Het zat hem als
gegoten. Dat zou hij aandoen, besloot hij meteen. Maar welk overhemd
moest eronder. Al zijn overhemden trok hij tevoorschijn, én die
van Renate. Ik zag haar keurig gestreken blousjes, haar wollen
vesten, haar rokken. Ik rook haar geur van talkpoeder. Die Juan.
Even snoof hij aan een kanten kraagje, bewoog zijn duim over een
revers en pinkte een traan uit zijn ooghoek. Dit deed hij vaker,
vermoedde ik. In de keuken stond de strijplank al klaar. Of ik
de vouw in de pantalon wilde strijken, de stropdas persen. Tien
minuten later hing z'n pak keurig op een hanger. Ik wenste hem
succes en hoopte dat hij een leuke date zou hebben. De volgende
dag kwam hij nog even showen. Hij zag er puik uit, met z'n zondagse
pet op. Nerveus, zei hij: 'Als het maar goed gaat.' 's Avonds
zag ik hem lopen, weer in z'n oude kloffie. Schalks vroeg ik,
'En, hoe was ze?'
'Ze?' reageerde hij geïrriteerd. 'Nee,' (sufferd, zag ik hem denken)
'ik had een familiebijeenkomst.'