Regelmatig
plaats ik hier één van mijn korte verhalen
De brieven
De plastic Albert Heijntas met brieven sneed in mijn hand toen ik de Vaartstraat in liep. Riek woonde daar al zo lang ik me kon heugen, samen met haar twee chihuahua's in een donker benedenhuis met een piepklein plaatsje. Vroeger was zij onze hulp. We zijn ongeveer even oud, ik geloof zelfs dat zij wat ouder is en we raakten bevriend. Hoewel ze uit een eenvoudig milieu komt is ze intellectueel en spiritueel ontwikkeld, veel meer dan ik. Ik was de doktersvrouw, zij hielp in de huishouding en in de praktijk. Ik zei Riek tegen haar, zij noemde mij mevrouw. We waren gelijkwaardig, maar toch ook niet. Pas toen ze bij ons wegging, tien jaar geleden, zei ik tegen haar: 'Noem me toch Margritte, Riek.'
Dat deed ze de enkele keren dat we elkaar daarna nog ontmoetten, maar van harte ging het nooit.
Ik drukte op het belletje in het kozijn naast de deur. Dat ging rasperig over. Binnen begonnen de hondjes enthousiast te keffen. Hoe vaak had Joost zo gestaan voor haar deur? Of had hij een sleutel in zijn bezit gehad? Die gedachte schoot door mijn hoofd. Binnen piepte de kamerdeur, voetstappen klonken op hout. Langzaam opende de voordeur op een kier. Riek gluurde naar buiten, en de deur ging wijder open.
'Nee maar, da's lang geleden.'
'Dag Riek, ik was in de Kanaalstraat en dacht, kom, nu ga ik eens bij onze Riek langs.'
Dat was gelogen. Ik wilde haar bezoeken en kon dan meteen een boodschap doen bij haar in de buurt.
'Kom binnen.'
Langs haar heen schuifelde ik het muffe gangetje in. Riek sloot de voordeur. Ik hield mijn jas aan, maar zette de tas onder de kapstok en ging de kamer binnen. De hondjes sprongen keffend van de bank en haakten hun nageltjes in mijn kousen.
'Sinds de begrafenis van Joost heb ik niets meer van je gehoord?' begon ik.
We stonden nu tegenover elkaar en keken heel even in elkaars ogen. Zij sloeg de hare als eerste neer.
'Je haar zit leuk,' zei ik. Dertig jaar geleden was ze al grijs geweest, maar ze had het altijd pikzwart geverfd. Dat was het nóg. Alleen nu kort geknipt in een pagekopje waarvan de pony in een punt op haar voorhoofd viel. Haar lippen waren uren geleden rood gestift geweest en ze droeg een zwarte koltrui die vol hondenharen zat. Ze was oud geworden.
'Dank je, jij ziet er ook goed uit,' zei ze.
'Hoe gaat het met je Parkinson?'
Heel licht schudde onafgebroken haar hoofd, zoals je wel eens bij die bruine namaakhondjes in rijdende auto's ziet.
'Langzaam achteruit. Ik heb sinds een paar weken een invalidenautootje. Helemaal betaald door de verzekering. Heb je het niet zien staan?'
Ik herinnerde me inderdaad een rood koekblikje, dat zo geparkeerd stond dat ik het trottoir had moeten verlaten en bijna onder een passerende fietser terecht was gekomen.
'Ik wacht nog op een parkeerplaats.'
Ik knikte en keek haar kamer rond. Boven de piano hing een poster van Boeddha, zittend onder zijn heilige boom, Indiase kussens lagen her en der op de bank. Tegenover een grote televisie stond de enige gemakkelijke stoel, op het tafeltje ernaast een asbak vol peuken. Ze rookte dus nog steeds. Daar had Joost haar nooit vanaf gekregen.
'Koffie?' vroeg Riek, toen ik niks zei.
'Graag, Riek.'
'Ik heb alleen Nescafé.'
'Oh prima.' Vanuit de kamer volgde ik haar in het minuscule keukentje en zag dat ze een gebutste fluitketel pakte.
'Speel je nog?' riep ik.
'Nee, de piano is al jaren niet meer gestemd.'
Joost stemt hem niet meer. Mijn man was arts geweest, maar zijn hobby was piano spelen en stemmen.
'Hoe gaat het met de kinderen?' vroeg ze, terugkomend uit de keuken. Van de tafel pakte ze een blauw pakje shag.
'Goed. Janine is in verwachting van de derde en Mark heeft een nieuwe baan in het van Leeuwenhoek.'
'Als oncoloog toch?'
'Ja, en beiden zijn zo muzikaal, dat hebben ze van Joost, hè.' Ik moest het gesprek op Joost zien te houden. Ik moest het uit haar eigen mond horen. Stijfjes ging ik zitten naast de hondjes op de bank, toen ik er eentje wat opzij schoof, gromde die geniepig.
'Onze piano is ook nooit meer gestemd sinds Joost dood is. Mij maakt het niet uit, ik speel toch niet,' zei ik.
In het keukentje begon de waterketel ouderwets te fluiten. Riek liep erheen en kwam terug met een mok dampende Nescafé.
'Zwart toch?'
'Dank je. Jij niet?'
'Ik drink geen koffie meer.'
'Ik ga kleiner wonen,' zei ik. 'Janine krijgt de piano voor haar kinderen.' Toen ze niet antwoordde, maar haar juist gedraaide sigaret opstak, zei ik: 'Ik ben aan het opruimen geslagen en begonnen in de werkkamer van Joost.'
Ze vertrok geen spier. Met de sigaret tussen haar lippen pakte ze het valse hondje naast me van de bank en ging weer in haar stoel zitten. Ze nam een trek van haar sigaret, inhaleerde diep en blies peinzend de rook de kamer in.
'Zijn ze niet schattig?' vroeg ze.
'Ja, schattig.'
'Ze zijn mijn enige vrienden.'
'Ben je eenzaam?'
'Nee, nee, ik zoek de mensen niet meer op. Ik lees en kijk televisie.'
'Waarom speel je niet meer, Riek?'
Ze bleef zwijgen.
'Weet je nog hoe je samen met Joost quatre mains speelde? Hij genoot van je spel. “Ze is goed,” zei hij altijd. “Riek had concertpianiste kunnen worden.’
Riek kroelde het hondje achter zijn oor, en staarde naar een vlek op het Perzisch tapijtje voor haar op de grond.
'Riek.'
Haar hoofd schommelde nauwelijks zichtbaar, ze leek diep verzonken in het verleden. Dacht ze nu aan Joost. Mijn Joost, die zij misschien wel beter had gekend dan ik? Twintig jaar had ze bij ons gediend. Vlak na Mark's geboorte was ze bij ons gekomen. Janine was net vijf geweest, die werd volgende maand achtendertig.
'Drieëndertig jaar kennen we elkaar al,' zei ik.
'Ja, volgende week,' zei ze.
'Je wilt er niet over praten, hè?'
‘Wat valt er te zeggen.'
'Riek, ik heb jouw brieven gevonden.'
Met een ruk keek ze op. 'Had hij ze bewaard?'
'Ja, op datum gebundeld, negenentwintig jaar lang.'
Hier en daar had ik enkele zinnen gelezen. Dagenlang was ik van slag geweest, geschokt en woedend over mijn ontdekking. Gelukkig wist ik het na een paar dagen te relativeren en had besloten dat Riek de brieven maar terug moest hebben.
'Margritte, alsjeblieft.'
'Ik heb het altijd geweten.'
'Margritte, ...'
'Maar nooit dat jij het was.'
'Toe, Margritte, laat het me uitleggen.'
'Ik was zijn vrouw, maar jij, Riek, jij was zijn passie, zijn muze.'
'Ik heb hem gesmeekt ze te verbranden. Ik wilde niet dat jij het ooit zou weten, dat hij je zou verlaten omwille van mij.'
'Had ik geweten dat jij het was die in mijn huwelijk stookte. Dat jij het was die mijn man belette van mij te houden. Dat jij hem meer gaf dan ik. Als ik dat had geweten…'
'Wat dan?'
'Dan was ik weggegaan met de kinderen, dan had jij hem mogen hebben.' Ik stond op. Liet de Nescafé onaangeroerd en liep naar de deur.
'Alsjeblieft, Margritte. Ik heb hem niet van je afgenomen.'
'Nooit is hij helemaal van mij geweest, niet zoals hij van jou was.'
'Hij hield van ons allebei.'
'Negenentwintig jaar, Riek. Hoe kon je.'
'Het was niet zoals jij denkt.'
'Laat me niet lachen. Je hebt me gekwetst, misleid en bedrogen.' In een laatste blik zag ik dat haar ogen zwommen in tranen. Ik liep de gang in en verdween door de voordeur, terug naar de Kanaalstraat waar mijn auto stond. De Albert Heijntas liet ik onder de kapstok achter.
Een jaar later liep ik een boekhandel binnen. Mijn oog viel op het boekje 'De brieven' met als ondertitel 'compilatie van een liefde'. Ik nam het ter hand en herkende onmiddellijk een gevleugelde zin van Joost. Het waren zijn brieven aan Riek. Haar brieven aan Joost. Prachtige uitwisseling van hun zielenroerselen; poëtisch, literair, en ook erotisch.
In een opwelling kocht ik het. Thuis las ik het boekje in een ruk uit. Met een samengeknepen hart. Dit ging over vriendschap en liefde, zo mooi en zo rijk, zonder enige verwijzing naar vulgaire perversiteit, dat ik onmogelijk jaloers kon zijn. Alleen maar trots, omdat misschien, dankzij mijn aanwezigheid deze liefde had kunnen bestaan.