Regelmatig
plaats ik hier één van mijn korte verhalen
Schrijfblokkade
Het gaat niet goed met hem. Gek word ik ervan, zonder iets voor hem te kunnen betekenen.
Door de openstaande gangdeur zie ik hoe Harry zijn jas van de kapstok rukt en zijn das uit de mouw trekt. Kruislings slaat hij die om zijn nek, met zijn kin op de borst houdt hij de sjaal op zijn plaats, terwijl hij zijn kakikleurige regenjas dichtknoopt. In de gangspiegel kijkt een man met achterover gekamd, grijzend haar in de lege blik van zijn ogen. De smoezelige bril is naar het puntje van zijn neus gegleden, automatisch duwt hij hem op zijn plaats. Ik ken dat gebaar van hem zo goed. Een echte schrijver, denk ik cynisch, als de voordeur dichtslaat.
Vervolgens stel ik me voor, hoe hij met zijn handen diep in de zakken door de nacht sjokt. Mist en miezer valt kil op zijn hoge schouders.
In gedachten zie ik hoe hij verwachtingsvol de deur opent van café ‘Rust Wat’. Het deurbelletje tingelt uitnodigend. In zijn stamkroeg is het altijd warm en gezellig, Harry brengt er veel tijd door. Rechts naast de deur zie ik de man met het glazen oog zitten. De moeder zonder kind hangt achter een glas wijn aan de bar en de werkloze alcoholist is er nog niet. Het zijn romanfiguren in Harry’s boeken en zijn beste vrienden.
Zijn handen warm wrijvend, bestelt hij aan de bar koffie met een cognacje. Hij gaat aan het tafeltje zitten bij de man met het glazen oog. Harry hoort zacht gesnurk en ziet dat de man slaapt, met zijn goeie oog dicht. Het glazen oog kijkt stuurloos, als een leeg borrelglas, de ruimte in.
Men weet dat Harry om verhalen verlegen zit en dat hij ze hier komt halen. Helaas, vandaag zijn er geen verhalen voor hem. De moeder zonder kind heeft een kind bij zich, dat dreinend de andere gasten treitert.
Als Harry haar vraagt waar de werkloze alcoholist blijft, bijt ze hem toe, dat hij werk heeft gevonden en niet meer drinkt.
De andere gasten, een vrouw met een bochel, een jongen met een hijgende herdershond aan zijn voeten en een echtpaar dat elkaar niets te zeggen heeft, draaien hem demonstratief de rug toe.
Hoe Harry ook glimlacht en knipoogt, zelfs naar het dreindend kind, hij maakt geen contact. Met niemand. Ze zitten niet te wachten op een schrijver die hun verhalen steelt.
Teleurgesteld drinkt hij de koffie, gooit de cognac in zijn keelgat en druipt af. Zo gaat het nu al maanden, weet ik. Thuis knipt hij de grote lamp aan, het kille licht verblindt me.
Harry kijkt treurig in mijn richting.
‘Ik heb geen inspiratie, geen verhalen, niets meer te vertellen. Er moet iets gebeuren, anders? Ja, wat anders. Anders niks meer,’ klaagt hij zeurderig.
Alsof het mijn schuld is. Hij raakt me niet aan, met geen vinger, al maanden niet meer.
Het licht gaat uit en hij stommelt de trap op. Hij slaapt goed. Hij wordt niet meer bezocht door personages die hun wel en wee aan hem opdringen. Die om een rol bedelen in zijn verhalen. Geen auditie meer doen in zijn hoofd. Zijn gedachten zijn leeg.
Wat was dat vroeger anders.
Soms stond hij midden in de nacht voor me. Dan deed hij de bureaulamp aan die mij in een zacht, glanzend schijnsel zette. Hij schonk zichzelf een glas wijn in en stak een sigaret op. Hij draaide een smetteloos vel blank papier tussen mijn dijen en begon me te bespelen, alsof hij de negende van Beethoven uitvoerde. In een gestaag ritme bezoedelde hij het papier met letters. Samen joegen we in opperste cadans de woorden de nacht in en ervoeren we het orgasme van de inspiratie. Soms stopte hij even en liet me op adem komen. Hij nam een slok wijn, trok aan zijn sigaret, als die tenminste niet in de asbak in een lange askegel aan zijn einde was gekomen, zette zijn tien vingers op mijn borsten, mijn buik, en schreef verder.
Vanmorgen kwam hij actiever dan anders naar beneden. In de keuken zette hij koffie, besmeerde een boterham met pindakaas en nu staart hij kauwend in de tuin.
‘Wat een wildernis,’ mompelt hij. ‘Het is eindelijk droog. Ik zou eens wat onkruid moeten wieden, de bomen moeten snoeien. Licht in mijn huis brengen.’
In de bijkeuken hoor ik hem rommelen en even later komt hij op stoffige laarzen de kamer inklossen. Zijn handen steken in een paar tuinhandschoenen, die verschimmeld en stijf nog in de vorm van zijn vrouws handen staan. Margot was hier de tuinier. Voor haar dood was de tuin een siertuin. In die zin van het woord. Ieder blaadje werd dagelijks opgeveegd, elk uit het lood staand takje werd weggeknipt en de bloemetjes werden gekoesterd.
Ik, als geen ander weet, hoe hij zich daarbij voelde, want we schreven er enkele mooie columns over.
Na haar verscheiden liet Harry de boel losbarsten uit het door Margot aangesnoerde korset. De klimop kroop met zevenmijlslaarzen naar de dakgoot en weefde de ramen dicht. Haar dood bevrijdde Harry ook. Hoewel zijn gezondheid in een dal zakte. Hij at onregelmatig, kookte nauwelijks, sliep nachten niet, rookte en dronk, maar hij voelde zich beter dan ooit.
Onze bestsellers spatten van de bladzijden. Ik draaide overuren. De literaire, slecht verkopende eliteboeken die hij voorheen schreef, waren verleden tijd.
Vanaf mijn centrale plaats op het bureau zie ik Harry ongemakkelijk op het keukentrapje staan. Hij zaagt een tak uit een boom. Halverwege de zaagsnede zakt het bladergewicht een paar meter naar beneden en meteen word ik verblind door een straal zonlicht, die me heel even doet denken aan een spirituele ervaring. Vroeger schreef hij daar wel over, herinner ik me, toen hij nog autobiografisch schreef, maar dat boek flopte gigantisch.
Harry is geen lichamelijke arbeid gewend, hij komt nauwelijks buiten, laat staan, dat hij ooit iets in de tuin heeft gedaan, maar vandaag komt hij anders binnen, geïnspireerd. Hij pakt de telefoon en belt naar zijn uitgever, denk ik. Dat hij deze keer de deadline gaat halen, hoop ik. Maar het is iets anders. Hij heeft het over een del en of die zo snel mogelijk bezorgd kan worden. Dat doet hij een enkele keer, dan belt hij een vrouw, die komt en gaat met hem mee naar boven. Ritmisch kraakt het plafond boven mijn hoofd. Ik wil niet weten wat die bezoekjes inhouden. Ik weet het natuurlijk wel, want hij schreef er wel eens over.
Na dat telefoontje duikt hij weer de tuin in en als de bel gaat, komt Harry bezweet binnen. Hij rukt de handschoenen uit en smijt ze naast me neer op het bureau. De inktgeur van mijn verdroogde lint wordt verdreven door aarde, blad en schimmellucht.
In de gang zegt een mannenstem: ‘Waar wilt u haar hebben, meneer?’
Een stapel dozen stommelt op twee benen de kamer in.
‘Hier. Zet u hier maar neer.’ Harry pakt me bruusk op, haast liefdeloos, en plempt me op de bank. Scheef zak ik tegen een kussen, maar ik houd volop zicht op het bureau. Vier ingedeukte rondjes binnen een rechthoekige uitsparing op het groene skai zijn het levende bewijs dat ik daar tientallen jaren heb gestaan.
De man heeft de dozen op de grond gezet, van de grootste opent hij de vier flappen en hij haalt er een hoge zwarte kast uit, uit de andere doos komt een soort televisiescherm, een paar snoeren, en een losse set toetsen op een plastic plankje.
‘Hebt u ervaring met computers, meneer?’
‘Nee, maar ik ga een cursus volgen.’
De man is gaan zitten, het scherm staat nu waar ik stond met de toetsen er los voor. Hij rommelt een tijdje, Harry kijkt toe, de handen op zijn rug.
Dan hoor ik zacht getik, er verschijnen letters op het scherm.
‘Op deze Dell, schrijven we in Word,’ tikt de man. ‘Dit zijn snelkoppelingen naar de programma’s. U moet maar veel oefenen, meneer.’
Harry gaat zitten, de man geeft aanwijzingen. Hij zegt dat Harry een natuurtalent is. ‘Iemand die sneller typt dan u moet nog geboren worden.’
Slijmbal.
‘Ik ben schrijver, maar dit typt inderdaad veel sneller dan op dat beestje daar.’ Harry gooit zijn achterhoofd in mijn richting. De man laat zijn blik over mij dwalen. Ik voel me naakt, ik voel me verraden, ik voel me waardeloos.
‘Dat is een hele mooie, ouwe Remington, meneer. Ik verzamel typmachines, mag ik hem misschien van u overnemen?’
Dat doe je niet, dat doe je niet.
‘Ik ben erg aan haar gehecht, ik denk dat ik haar nog even hou.’
Onmerkbaar klinkt mijn zucht van verlichting. Ik mag blijven, voor zo lang als het duurt.
Harry laat de man uit, die zegt: ‘Als er iets is, u kunt me altijd bellen.’
Even later kijk ik naar Harry’s rug, en hoor hem rondtoddelen op het toetsenbord.
‘Dit is een ontdekking,’ hoor ik hem mompelen. ‘Dit is de hemel.’
Hij staat op en zet mij in de doos. De flappen boven mijn hoofd vallen dicht. Pikdonker.